DE RAIFFEISEN-BODE. 73 UIT ONZE BOERENLEENBANKEN. KONINKLIJKE MORAAL? Mijnheer de Redacteur! Met ernst en aandacht lazen wij uwe beschouwing over de moraliteitskwestie ter zake het oprichten eener afzonderlijke Spaarbank bij een Boerenleenbank, en spijt het ons te moeten zeggen, dat uwe redeneering ons, door onvolledigheid, niet bepaald juist voorkomt. Natuurlijk zouden we hierover gevoegelijk kunnen zwijgen, ware het niet, dat meerdere leenbankleden onze meening deelden: en het ook hun belangrijk genoeg lijkt, mede hunne opvatting kenbaar te maken. Wat is het geval. U schrijft onder meer: „Door de oprichting eener Spaarbank wordt aan den fiscus dus geen enkel recht ontnomen, doch alleen de gelegenheid om misbruik van zijne bevoegdheid te maken." Deze uitspraak, M. de R., willen we eens nader be zien, en dan is onze redeneering aldus: Om de nood zakelijke instandhouding van het Rijk en zijne inwoners te waarborgen, legt de Staat door middel der belasting wetten ieder staatsburger de verplichting op, naar zijn draagkracht tot belastingvorming bij te dragen; tot de uitvoering waarvan de fiscus is aangewezen, die, wij erkennen het gaarne, niet altijd even consciëntieus te werk gaat. Wij zouden hiermede .v olkomen accoörd kunnen gaan indien, met de wet in handen, het recht van onderzoek naar dat bezit of inkomen gelijklijk op eiken belasting betaler werd toegepast; maar, en daar komt ons verschil in opvatting, diezelfde belastingwetten staan op dat onderzoek eene bedenkelijke uitzondering toe, en die is deze: Het is den fiscus niet geoorloofd een onderzoek naar het bezit of vermogen in te stellen voor zoover dit bij eenige bankinstelling is ondergebracht» Natuurlijk hebben we ons niet bezig te houden met de vraag, uit welke moraal deze wetsvoorschriften zijn voortgekomen, fiiaar het gevolg daarvan is in elk geval, dat aldus eene kostelijke gelegenheid is geschapen voor wie daar van wil profiteeren, een zeker deel van zijn bezit of in komen aan de berekening van den fiscus te onttrekken. En nu weten we wel, dat nochtans elke belastingplichtige zijne opgave naar waarheid heeft op te geven op straffe vanenz.; maar de clandestiene gelegenheid is er; wat voor ons wil zeggen: Elke bankinstelling, dus ook elke Boerenleenbank, schept eene gelegenheid, waar men zijn bezit aan het onderzoek van den fiscus onttrek ken; en is alzoo eene stichting, die den fiscus niet het recht maar wel de gelegenheid ontneemt, om gebruik te maken van de gegevens, die zij voor het opstellen eener juiste belasting-berekening behoeft. Dit, M. de R., houdt het ons ten goede, is naar onze meening met eene koninklijke moraal niet te rijmen; tenzij men rneene, dan aan dat ..koninklijke" reeds zou zijn voldaan bij de gratie van het koninklijk goedgekeurd zijn der be lastingwetten. Maar wat wij dan wel zouden willen? Voor enkele weken terug meldde een onzer groote dagbladen dat, door het verdekt opstellen van vele en groote belastingplichtige kapitalen er jaarlijks millioenen in ons land aan belastingbetaling wordt ontdoken; wij zouden willen, dat alle Banken, geene enkele uitgezonderd natuurlijk, werden verplicht den fiscus inzage te geven van alle bij hun gedeponeerde gelden; dan ware althans deze immoraliteit opgeheven, dat niet de eene belasting betaler voor den ander had op te brengen; de belasting- bijdrage voor het geheel kon aanzienlijk lager wezen, en de moraal was beter gediend. Met dank voor de plaatsing Hoogachtend, Nieuwe Niedorp. J. KEUKEN. Noot der Redactie. Als wij den geachten in zender wel begrijpen, komt zijn betoog hierop neer: de Boerenleenbank mag geen instelling scheppen, waar de spaargelden veilig zijn voor den fiscus, aangezien dit een juiste uitvoering der belastingwetten in den weg staat. Maar dan heeft de inzender de zaak toch niet goed bekeken, naar wij meenen. De belastingwetten respec- teeren zorgvuldig het bankgeheim. Door oprichting van een afzonderlijke Spaarbank wordt het bankgeheim be vorderd, en aan een misbruik, dat bij sommige belasting ambtenaren niet bij ,.den fiscus" als geheel) wel eens werd aangetroffen, de kop ingedrukt. Dus wordt zelfs een betere toepassing der belastingwetten bevorderd. Nu zegt de inzender misschien, dat wij zelf zoo royaal moeten zijn om het bankgeheim op te heffen. Ja dat is misschien „koninklijke moraal", en het-klinkt heel mooi, maar het is theorie, en in de practijk des levens zou dit aan de Bank of de Banken, die ermede begon nen, onnoemelijke schade toebrengen. Bovendien, be hoort zoo iets niet van den wetgever uit te gaan? Dan worden alle Banken tegelijk getroffen, en kunnen zij niet ten deele achter blijven en zich zoodoende ten koste van de Banken, die het bankgeheim wel op heffen, bevoordeelen. De kwestie van de opheffing van het bankgeheim is-nog niet zoo eenvoudig. Maar het is vrij overbodig om erover te discussiëeren, omdat er toch geen kans op is. Alleen dit: in Duitschlancl is het eenigen tijd opgeheven geweest, maar men is er spoedig weer van teruggekomen. Zoolang het bankgeheim door de wet wordt erkend, is ieder, naar wij meenen, volkomen gerechtigd om zich daaraan te houden. En men behoeft zelfs niet te blozen, als er van „koninklijke moraal" gesproken wordt.

Rabobank Bronnenarchief

blad 'De Raiffeisen-bode' (CCRB) | 1926 | | pagina 5