743 En het is deze derde soort, welke blijkens de erva* ring der Inspectie het meest voorkomt. Men sla er Grootboek III maar eens op na. Verreweg de meeste bestaande loopende rekeningen vertoonen dit beeld. Wat is nu het geval? Dat de bovengenoemde credietnemer de loopende rekening slechts voor een bedrag van 2500 gulden als loopende rekening gebruikt, en dat hij voor de rest: n.1. voor 1500 gulden een voorschot heeft, waarop niets wordt afgelost. In verband met hetgeen te dien aanzien reeds is uiteengezet dient hier dus een jaarlijksche ere* dietvermindering te worden toegepast totdat, na tot 2500 gulden gedaald te zijn, de loopende rekening over de geheele lengte op*en*neer=gaat. Wanneer dit punt bereikt is, kan de vermindering worden stopgezet. Voor de tweede soort, waarbij het crediet geheel en al als voorschot te beschouwen is, moet de jaarlijksche vermindering dus voor het geheele crediet gelden en worden toegepast, totdat het geheele crediet is ge* ëindigd. Voor de eerste soort is jaarlijksche credietverminde* ring geen noodzakelijkheid. Bij de voor te schrijven verminderingen van het ere* diet dient men zich, zooals steeds, te laten leiden door het doel, waarvoor de gelden werden gebruikt, de be* hoeften van den credietnemer enz., maar steeds zoo, dat men blijft binnen de grenzen van het voor de Boeren* leenbanken gereserveerde terrein van geldverstrekking, n.1. dat der kortloopende bedrijfscredieten. Om aan de ondervonden bezwaren tegemoet te ko* men heeft het Bestuur der Centrale Boerenleenbank dan ook de volgende regeling vastgesteld: A. De bestaande credieten in loopende rekening worden zonder meer alle beperkt in duur. Bij de bepaling van den looptijd kan worden rekening gehouden met den aard der gegeven zekerheid. Het is immers duidelijk, dat een hypothecair crediet voor dat deel reeds de bezwaren ondervangt, waarbij het belang

Rabobank Bronnenarchief

T01 | 1924 | | pagina 17